Het doorlichtingsbezoek

Waarom neemt er soms een externe deskundige deel aan een doorlichting?

Dit gebeurt als er nood is aan een specifieke deskundigheid en er geen onderwijsinspecteur met deze deskundigheid beschikbaar is (bijvoorbeeld bij ziekte).

Welke documenten moeten wij klaarleggen voor het doorlichtingsbezoek?

De lijst komt in grote mate overeen met die voor het vooronderzoek.
Alleen voor de vakken en leergebieden kunnen wij nog bijkomend materiaal vragen. Het gaat wel altijd om materiaal dat al op school aanwezig is.
Je vindt hier de documenten over de voorbereiding van de doorlichtingsfase.

Vragen de onderwijsinspecteurs tijdens de doorlichting nog andere documenten op dan die van de lijst met klaar te leggen documenten?

Dat is mogelijk. Het gaat dan wel altijd om al beschikbare documenten, relevant voor het onderzoek. De school moet geen extra documenten creëren.

Hoe eindigt het doorlichtingsbezoek?

De laatste dag van het doorlichtingsbezoek voorzien de onderwijsinspecteurs een debriefing. Ze delen op informele wijze aan de directeur en enkele leden van het schoolteam de eerste bevindingen van de doorlichting mee.

De inspecteur-verslaggever verwittigt schriftelijk het bestuur van de school van de einddatum van het doorlichtingsbezoek. Deze datum is belangrijk omdat we voor alle verdere termijnen in de procedure van een doorlichting vanaf deze datum beginnen te tellen.

Moet ik leerlingendocumenten bewaren en zo ja, hoe lang?

Het spreekt voor zich dat de school ook aan de hand van een selectie van leerlingendocumenten kan aantonen dat ze de eindtermen realiseert. Bij dat aantonen moet de school rekening houden met de desbetreffende omzendbrieven (vb. SO/2003/02 voor so).

Welke documenten worden voorgeschreven voor de aan- en afwezigheid van leerlingen?

Dat is het domein van de verificatie, niet van de onderwijsinspectie. Deze administratieve voorschriften vind je in de desbetreffende omzendbrieven.

Zijn er documenten die ik als CLB-medewerker bij de doorlichting van een school moet voorleggen aan de onderwijsinspectie?

Neen. We zullen eventueel wel een gesprek voeren, maar geen documenten opvragen.

Zijn er documenten die ik als secretariaatsmedewerker bij de doorlichting moet voorleggen aan de onderwijsinspectie?

We vragen niet rechtstreeks aan de secretariaatsmedewerkers om documenten voor te bereiden. De directies doen meestal wel een beroep op hun secretariaat om de nodige informatie voor de doorlichting te verzamelen. Maar dat is een zaak van interne werkverdeling in de school.

Moet een school de evolutie van leerlingen via een leerlingvolgsysteem vastleggen?

Neen. Een leerlingvolgsysteem is maar een hulpmiddel voor leerlingenbegeleiding en –oriëntering. Het is één van de kerntaken van een school om de leerlingen in hun ontwikkelingen te begeleiden en op te volgen. Maar hoe ze dat doet, beslist de school zelf.

Bestaan er voorschriften voor mondelinge proeven?

De evaluatiedocumenten waarop een klassenraad zich baseert bij de beoordeling van een leerling zijn noodzakelijke verantwoordingsstukken, niet zozeer voor de onderwijsinspectie dan wel voor de leerling of cursist en de ouders. Daarom moet je ook van mondelinge proeven informatie bijhouden, zoals de vragen en de toegekende punten per leerling.
We kunnen naar die documenten vragen omdat zij informatie bevatten over het bereiken van de eindtermen of het realiseren van leerplannen.

Moeten we van alle vergaderingen op school verslagen maken voor de onderwijsinspectie?

We kunnen tijdens een doorlichting vragen om sommige verslagen in te kijken van formele vergaderingen, zoals vakvergaderingen, BOC/LOC, klassenraad, … waarin afspraken of beslissingen schriftelijk vastgelegd zijn.

Hoe kan ik als leerkracht aantonen dat ik planmatig werk en de vooropgestelde doelstellingen bereik?

We leggen daar geen enkele verplichting op. Je kiest zelf hoe je dat aantoont en welke instrumenten je hiervoor nuttig acht (jaarplan, agenda, klasboek, …).

Moet ik als leerkracht bijkomende documenten opstellen waaruit blijkt dat ik de eindtermen bij de leerlingen bereik en de leerplannen realiseer?

Neen, je moet geen bijkomende documenten ontwikkelen met verwijzingen naar eindtermen en leerplannen. Leerkrachten moeten dus niet de nummers van de eindtermen of de eindtermen zelf noteren bij elke lesactiviteit.

Ben ik als leerkracht verplicht de documenten en voorschriften van de school te volgen: elektronische agenda, voorgedrukte agenda, weekplan, themabundel, …?

Dat is een zaak van interne orde (bijvoorbeeld het arbeidsreglement) waar de onderwijsinspectie geen uitspraken over doet.

Controleert de onderwijsinspectie mijn bekwaamheidsbewijzen?

Neen. We informeren ons wel over de wijze waarop de school de mogelijkheden gebruikt die het stelsel van bekwaamheidsbewijzen toelaat. Dat stelsel maakt immers een onderscheid tussen vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen, maar laat de keuze aan de school zelf.
Meer informatie vind je op de website Bekwaamheidsbewijzen.

Hoe moet ik BPT-uren verantwoorden aan de onderwijsinspectie?

Het is de verantwoordelijkheid van de school om de opdracht van een leerkracht met BPT-uren concreet in te vullen.

Een leerkracht moet aan de onderwijsinspectie alleen toelichten hoe hij zijn werk concretiseert. Daar moet hij geen documenten voor uitwerken. De onderwijsinspecteur zal daar wellicht een kort gesprek over voeren.

Als de onderwijsinspectie mij vraagt hoe ik differentieer, volstaat het dan om de verschillende werkbladen van mijn leerlingen te tonen?

Differentiatie verwijst naar een lesaanpak waarbij de leerkracht rekening houdt met de verschillen onder de leerlingen en waarbij hij op verschillende niveaus, vanuit verschillende aanpakken een les opbouwt zodat iedere leerling vanuit zijn niveau kan volgen. Hoe dat concreet gebeurt, is een kwestie van aanpak en methode. Hoe de leerkracht zijn aanpak toelicht, is zijn eigen keuze.

Wat verwacht een onderwijsinspecteur die een les komt bijwonen?

We beoordelen geen lessen, noch leraars. Als een onderwijsinspecteur een les bijwoont, verwacht hij geen extra inspanningen. Je geeft gewoon de les die je had voorzien. Na de les kan de onderwijsinspecteur nog een kort gesprek met jou voeren.

Kijken de onderwijsinspecteurs vooral naar documenten, processen van het huidige schooljaar of eerder naar het voorbije schooljaar?

Ze kijken naar beide schooljaren.

Moet ik als leerkracht van de onderwijsinspectie mijn lessen schriftelijk voorbereiden, volgens een opgelegd model?

Neen. Er is geen officiële regel die oplegt dat je lessen schriftelijk moet voorbereiden. Er bestaat dus zeker geen vast model.

Mogen mijn parallelcollega en ik dezelfde documenten voorleggen aan de onderwijsinspectie?

Documenten moeten vooral functioneel zijn. Samenwerken met collega’s kan zeker een meerwaarde hebben. Vanuit dat standpunt kunnen gezamenlijke opgestelde documenten persoonlijk werk vervangen.

Moet ik als leerkracht specifieke documenten voorleggen waaruit blijkt dat ik nascholing volgde?

Nascholing en bijscholing zijn belangrijk om de eigen deskundigheid te bevorderen. De scholen van het leerplichtonderwijs ontvangen daar middelen voor van de overheid.
Scholen moeten jaarlijks een nascholingsplan voor hun personeel uitwerken. Dat is uiteraard de verantwoordelijkheid van de directie. De onderwijsinspectie gaat na in welke mate de leraren gebruik maken van nascholing. De onderwijsinspectie verwacht geen verslagen van die nascholingsinitiatieven.

Hoe controleert de onderwijsinspectie bij een doorlichting in aso de decretale specifieke eindtermen aangaande de onderzoekscompetentie (DSETOC)?

Minimumeisen voor het realiseren van de DSETOC, die de school moet kunnen aantonen tijdens de doorlichting zijn de volgende:

  1. De leerlingen voeren minstens één poolgebonden onderzoek uit waarin de drie DSETOC aan bod komen.
  2. Het onderzoek is uitgewerkt op het niveau secundair onderwijs. Indien van toepassing wordt er rekening gehouden met de cesuurdoelen tweede graad.
  3. Bij het onderzoek is er informatieverwerving en -verwerking gebeurd:
    • de leerling vertrekt bij het onderzoek van een onderzoeksvraag.
    • de leerling verzamelt, ordent en bewerkt informatie over de onderzoeksvraag.
    • de leerling hanteert een poolspecifieke onderzoeksmethodiek.
    • de leerling rapporteert over het onderzoek.
    • de leerling confronteert het onderzoeksresultaat met andere standpunten, onderzoeksresultaten, theorieën, onderzoeken, gegevens… 
  4. De evaluatie moet aantonen in welke mate de leerlingen de DSETOC realiseren. Alle in de DSETOC vermelde elementen zijn aanwezig in de evaluatie: zich oriënteren, voorbereiden, uitvoeren, evalueren, rapporteren en confronteren.

Hoe gaat de onderwijsinspectie bij een doorlichting het welbevinden van de leerling/cursist na?

In de huidige doorlichtingsronde is de component output het vertrekpunt voor de doorlichting. Deze component bestaat naast de meetbare indicatoren 'leerprestaties', 'outcomes' en 'schoolloopbaan', ook uit de (zogenaamde) zachte outputindicator 'tevredenheid'. Deze indicator bestaat op zijn beurt uit de variabelen 'welbevinden van leerlingen/cursisten', 'tevredenheid van de personeelsleden' en 'tevredenheid van partners met wie wordt samengewerkt'.

Wij definiëren welbevinden als de mate waarin de leerlingen de school beleven vanuit actuele en duurzame schoolervaringen.
Het gaat om een multidimensioneel begrip dat het resultaat is van de perceptie van volgende dimensies:

  1. de tevredenheid of hoe leerlingen zich voelen op school en in de klas,
  2. de betrokkenheid of de wijze waarop de leerlingen zich engageren op klas- en schoolniveau,
  3. het academisch zelfconcept, waarbij de klemtoon ligt op het beeld dat de leerlingen hebben over het eigen schoolse kunnen,
  4. het pedagogisch klimaat dat een beeld geeft van de wijze waarop leerlingen het klimaat in de school en in de klas percipiëren en
  5. de sociale relaties of de interpersoonlijke relaties van de leerlingen op school.

Net zoals de gegevens van de harde output nemen de onderwijsinspecteurs de gegevens die de scholen over 'tevredenheid' ter beschikking stellen, mee als bronnenmateriaal tijdens het vooronderzoek en het doorlichtingsbezoek. Zo bekomen ze een genuanceerd en volledig beeld over de onderwijskwaliteit van een school.

Meer informatie vind je bij de FAQ vragenlijst welbevinden.

Moeten de CVO’s alle leerplandoelstellingen evalueren?

Het decreet vwo is duidelijk op dit punt: de evaluatie moet betrekking hebben op alle doelen en moet valide zijn. Als de doelen diverse tekstsoorten voorschrijven waarbinnen die doelen moeten worden behaald, dan moet er op het einde van het traject een valide/onderbouwde uitspraak worden gedaan over alle tekstsoorten. Kortom: voor elke cursist moet op het einde van het traject op een valide manier een uitspraak worden gedaan of de cursist al dan niet geslaagd is.

De wijze waarop het centrum tot die uitspraak komt of hoe het centrum evalueert, behoort tot de autonomie van het centrum. Er zijn heel veel vormen van evaluatie mogelijk: tussentijds of gespreid, permanent, taakgericht (taaltaken), eindexamen, observaties, buitenschoolse opdrachten...
Welke doelstelling wanneer gemeten wordt, behoort eveneens tot de autonomie van het centrum. In het verlengde hiervan moeten in eindexamens/summatieve evaluaties niet alle doelen gemeten worden. De onderwijsinspectie legt in dit verband dus niets op. Wij kijken naar het geheel van de evaluatie en de validiteit ervan met een respect voor de pedagogische vrijheid van het centrum.

We merken wel uit doorlichtingen NT2 dat centra geneigd zijn bepaalde doelen herhaaldelijk te evalueren, andere verwaarlozen en soms te veel onderwijstijd in evaluatie steken. We lichten herhaaldelijk centra door waar de evaluatietijd tot één vijfde van de onderwijstijd beslaat. Een ander knelpunt is de validiteit van de toetstaken. Voor bepaalde doelen (zoals het globaal onderwerp bepalen in een luistertekst) slagen leerkrachten er moeilijk in om een valide toets op te stellen. En verder is er het gekende knelpunt: we blijven vaststellen dat in de uitspraak over al dan niet slagen de ondersteunende kennis doorslaggevend is en vaak getoetst wordt op een niveau dat niet overeenstemt met de voorgeschreven tekstkenmerken in het opleidingsprofiel. Kortom: de eisen van de centra liggen vaak te hoog voor ondersteunende kennis en lang niet alle doelen worden op een valide manier getoetst terwijl de centra heel veel onderwijstijd spenderen aan evaluatie.