Het vooronderzoek

Wat is een instellingsprofiel?

In dit profiel verzamelen we een aantal gegevens die de instellingen jaarlijks via Edison naar Brussel sturen voor de uitbetaling van hun werkingsmiddelen en de uitbetaling van hun personeelsleden. Deze gegevens hebben betrekking op de ingeschreven leerlingen/cursisten, op het onderwijsaanbod en op de infrastructuur. Wij combineren deze gegevens tot een aantal relevante onderwijsindicatoren zoals bijvoorbeeld leerachterstand, zittenblijven, attestering, bekwaamheidsbewijzen onderwijzend personeel, personeel nieuw in de instelling en nieuw in onderwijs, enzovoorts. De onderwijsinspectie gebruikt dit instellingsprofiel als één van de bronnen voor de voorbereiding van het vooronderzoek.

Door deze gegevens elk jaar te verzamelen, beschikken wij na verloop van tijd ook over de evolutie van deze indicatoren.

De instellingen worden daarnaast gegroepeerd volgens een aantal gemeenschappelijke kenmerken, onze zogenaamde referentiegroepen. Op die wijze kunnen we een individuele instelling ook vergelijken met haar ‘soortgenoten’ en dit voor elke indicator uit het cijferrapport. Ook dit levert ons extra informatie op voor het vooronderzoek.

Op welke periode slaan de cijfers die de inspectie als relevante data tijdens het vooronderzoek gebruikt?

In principe werken we met de cijfers van het afgelopen schooljaar. Wanneer ons datawarehouse verder wordt uitgebouwd, zullen we over een steeds langere historiek van scholen kunnen beschikken.

Kunnen wij als school zelf beschikken over de data die de inspectie gebruikt voor haar vooronderzoek?

Sinds het schooljaar 2011-2012 krijgen de scholen die worden doorgelicht inzage in hun schoolprofiel via Mijn Onderwijs.

Welke documenten moeten wij klaarleggen voor het vooronderzoek?

Zie de lijst met ter beschikking te stellen documenten.

Gebeurt het vooronderzoek ook gedifferentieerd?

Het CIPO-referentiekader is het referentiekader dat aangeeft waar we naar kijken. Scholen die kwaliteitsvol werken, worden geacht met die zaken bezig te zijn.

We proberen om op basis van alle indicatoren en op basis van de cijfers uit het datawarehouse gegevens te verzamelen. Het vooronderzoek is integraal en focust bijgevolg op alle indicatoren en variabelen van het CIPO-referentiekader. Op basis hiervan lichten we bepaalde aspecten uit het CIPO-referentiekader en plaatsen ze in de doorlichtingsfocus. Die doorlichtingsfocus is representatief voor de zwakke en sterke aspecten van de school, het centrum of de academie. In de fase van het doorlichtingsbezoek onderzoeken we niet meer alle indicatoren en variabelen van het CIPO-referentiekader, maar zoomen we in op die procesvariabelen die we selecteerden in het vooronderzoek. Op dat moment start de differentiatie.

Hoe gaat de onderwijsinspectie bij een doorlichting het welbevinden van de leerling/cursist na?

In de huidige doorlichtingsronde is de component output het vertrekpunt voor de doorlichting. Deze component bestaat naast de meetbare indicatoren 'leerprestaties', 'outcomes' en 'schoolloopbaan', ook uit de (zogenaamde) zachte outputindicator 'tevredenheid'. Deze indicator bestaat op zijn beurt uit de variabelen 'welbevinden van leerlingen/cursisten', 'tevredenheid van de personeelsleden' en 'tevredenheid van partners met wie wordt samengewerkt'.

Wij definiëren welbevinden als de mate waarin de leerlingen de school beleven vanuit actuele en duurzame schoolervaringen.
Het gaat om een multidimensioneel begrip dat het resultaat is van de perceptie van volgende dimensies:

  1. de tevredenheid of hoe leerlingen zich voelen op school en in de klas,
  2. de betrokkenheid of de wijze waarop de leerlingen zich engageren op klas- en schoolniveau,
  3. het academisch zelfconcept, waarbij de klemtoon ligt op het beeld dat de leerlingen hebben over het eigen schoolse kunnen,
  4. het pedagogisch klimaat dat een beeld geeft van de wijze waarop leerlingen het klimaat in de school en in de klas percipiëren en
  5. de sociale relaties of de interpersoonlijke relaties van de leerlingen op school.

Net zoals de gegevens van de harde output nemen de inspecteurs de gegevens die de scholen over 'tevredenheid' ter beschikking stellen, mee als bronnenmateriaal tijdens het vooronderzoek en het doorlichtingsbezoek. Zo bekomen ze een genuanceerd en volledig beeld over de onderwijskwaliteit van een school.

Meer informatie vind je bij de FAQ vragenlijst welbevinden.