Onderzoek onderwijsleerpraktijk

Baseert de onderwijsinspectie zich op de eindtermen of op de leerplandoelen?

Voor het basisonderwijs gaat de onderwijsinspectie na of de ontwikkelingsdoelen nagestreefd worden en of de eindtermen bereikt worden.

Voor het secundair onderwijs gaat de onderwijsinspectie het gesprek aan vanuit de leerplannen. Bij het onderzoek en de beoordeling houdt de onderwijsinspectie echter alleen rekening met de leerplandoelen die het bereiken van de eindtermen en de basiscompetenties of het nastreven van de ontwikkelingsdoelen beogen. Als het leerplan niet gebaseerd is op eindtermen of basiscompetenties of ontwikkelingsdoelen, houdt de onderwijsinspectie alleen rekening met de leerplandoelen. Voor de beroepsgerichte vorming houdt de onderwijsinspectie rekening met de competenties en doelen die het bereiken van de erkende beroepskwalificaties beogen.

Voor het buitengewoon onderwijs vormen de ontwikkelingsdoelen het referentiekader. Indien relevant, kan een klassenraad of schoolteam leerplandoelen selecteren en opnemen in het handelingsplan. Die leerplandoelen krijgen dan het statuut van ontwikkelingsdoel. Dit betekent dat het schoolteam die geselecteerde leerplandoelen uitdrukkelijk moet aanbieden en nastreven.  

Voor de beroepsgerichte vorming in opleidingsvorm 3 zijn de vastgelegde opleidingsprofielen het referentiekader, naast de decretaal bepaalde ontwikkelingsdoelen voor de algemene en sociale vorming. 

Omdat opleidingsvorm 4 het gemeenschappelijke curriculum aanbiedt, vormen de leerplannen van het gewoon onderwijs het referentiekader. 

Hoe gebeurt het geïntegreerd doorlichten in het kleuteronderwijs?

De onderwijsinspectie sluit aan bij de eigenheid van het kleuteronderwijs en voert het onderzoek naar de onderwijsleerpraktijk geïntegreerd uit. Dit betekent dat we in Inspectie 2.0 voor het kleuteronderwijs niet langer werken met een doorlichtingsfocus van enkele leergebieden. We bekijken voor het totale aanbod (1) de afstemming van het aanbod, (2) het leer- en ontwikkelingsgericht aanbod, (3) het leer- en leefklimaat, (4) de materiële leeromgeving, (5) de feedback, (6) de leerlingenevaluatie en (7) de leereffecten.

Waarom licht de onderwijsinspectie niet geïntegreerd door in het lager onderwijs?

Hoe een school de onderwijsleerpraktijk organiseert, behoort tot haar pedagogische vrijheid. Ze kan dit doen via leergebieden, thema's, projecten, de samenvoeging van enkele of alle leergebieden ... Over de manier waarop een school haar onderwijs vorm geeft (het hoe) doen wij dan ook geen uitspraak. Dat is voor ons ook ondergeschikt aan de inhoud van het onderwijs (het wat). Met ons onderzoek van de onderwijsleerpraktijk willen we immers een antwoord geven op de vraag: "Streeft de school bij de kleuters de ontwikkelingsdoelen na en bereiken de leerlingen de eindtermen?" Voor het kleuteronderwijs kiezen we voor een geïntegreerde aanpak omdat dit de weerspiegeling is van de manier waarop het kleuteronderwijs vrijwel in heel Vlaanderen vorm krijgt. In het lager onderwijs gebeurt dit vooralsnog via leergebieden. Lichten we een school door waar het lager onderwijs vorm krijgt vanuit projecten of een geïntegreerde aanpak, dan focussen we op de inhoud van dit geïntegreerd aanbod vanuit de twee leergebieden die in de doorlichtingsfocus staan.